In een poulesysteem — internationaal round robin genoemd — speelt elke ploeg één keer tegen elke andere ploeg in haar poule. Er valt niemand af: iedereen speelt al zijn wedstrijden, en de eindstand volgt uit de punten.
Bij een knock-out ligt na elke wedstrijd de helft eruit. Dat is kort en spannend, maar wie verliest, heeft één wedstrijd gespeeld. In een poule ligt vooraf vast hoeveel wedstrijden iedereen speelt — bij vier ploegen precies 3, ongeacht de uitslagen.
Veel tornooien combineren beide: eerst poules zodat iedereen genoeg speelt, daarna een knock-out tussen de besten.
Elke wedstrijd levert punten op volgens het gekozen profiel — bij voetbal 3 voor winst en 1 voor gelijk. Staan twee ploegen gelijk in punten, dan beslist een reeks criteria in volgorde: eerst het onderling resultaat, dan het doelsaldo of setsaldo, dan het onderling resultaat tussen de overblijvende ploegen.
Omdat één grote poule veel wedstrijden geeft. Twaalf ploegen in één poule zijn 66 wedstrijden; in drie poules van vier maar 18. Meerdere poules houden het tornooi kort en de wachttijd tussen twee eigen wedstrijden beperkt.
Het is de Engelse term voor een systeem waarin iedereen tegen iedereen speelt. Een single round robin is één keer tegen elkaar, een double round robin is heen en terug — zoals een klassieke competitie met thuis- en uitwedstrijden.
Technisch zoveel je wil, maar praktisch is vier of vijf de gulden middenweg. Vanaf zes loopt het aantal wedstrijden snel op en wordt de wachttijd tussen twee eigen wedstrijden lang.
Dan telt eerst wie de onderlinge wedstrijd won. Staan drie ploegen gelijk, dan wordt er een minicompetitie tussen die drie gemaakt: enkel hun onderlinge wedstrijden tellen mee. Blijft het gelijk, dan volgt het doelsaldo.